Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX9631

Datum uitspraak2006-06-08
Datum gepubliceerd2006-06-29
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200600005
Statusgepubliceerd


Indicatie

voortzetting na echtscheiding van bijdrage van de ouder(s) in de studiekosten van (jong)meerderjarige kinderen kan worden aangemerkt als het verlengde van de taak en/of verantwoordelijkheid van een ouder in het kader van de verzorging en opvoeding van kinderen danwel een vorm van begeleiding door de ouders van de kinderen naar volwassenheid teneinde te gelegenertijd zelfstandig te kunnen functioneren. Met de studiebijdrage kan dus rekening worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige tot het betalen van partneralimentatie.


Uitspraak

RJH 8 juni 2006 Rekestenkamer Rekestnummer R200600005 GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Beschikking n de zaak in hoger beroep van: [Appellante], gewoond hebbende te [woonplaats], thans wonende te [woonplaats], appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, de vrouw, procureur mr. C.L.J.A. Spiertz, t e g e n [Geintimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, de man, procureur mr. J.P.F.W. van Eijck. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2005, waarvan de inhoud bij hen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 3 januari 2006, heeft de vrouw verzocht – zakelijk weergegeven - voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en alsnog met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een hogere door de man voor de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen dan door de rechtbank is bepaald. Voorts heeft de vrouw verzocht – uitvoerbaar bij voorraad - te bepalen dat zij gedurende zes maanden na even genoemde inschrijving bevoegd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de inboedel, alsmede te bepalen dat de man vanaf 4 oktober 2005 tot de datum van inschrijving aan de vrouw een bedrag zal voldoen van € 544,-- per maand. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 31 januari 2006, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden en verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Voorts heeft de man verzocht – indien en voor zover het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor de periode van zes maanden ná de inschrijving aan de vrouw wordt toegewezen – te bepalen dat de vrouw aan hem een in goede justitie te bepalen zogeheten woonvergoeding zal dienen te betalen, uitvoerbaar bij voorraad. 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties overgelegd bij beroepschrift en verweerschrift; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze zaak bij voornoemde rechtbank van 31 mei 2005; - de brieven, met bijlage, van de procureur van de vrouw van 7 februari 2006 respectievelijk van 23 februari 2006. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord. 2.5. Het hof heeft verder nog kennisgenomen van de inhoud van: - de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw van 20 maart 2006; - de brief met bijlagen van de procureur van de man van 27 maart 2006. 2.5.1. Vervolgens heeft de raadsvrouwe van de man desgevraagd nadere bescheiden in het geding gebracht bij schrijven van 18 mei 2006. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Partijen zijn op 8 september 1978 met elkaar gehuwd. De tussen hen gegeven echt-scheidingsbeschikking, waarvan beroep, is nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn drie inmiddels jongmeerderjarige kinderen geboren. 4.3. Bij voormelde beschikking van 4 oktober 2005 is, voor zover van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de partneralimentatie vastgesteld op € 133,-- per maand, door de man te betalen met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 4.4. Het hoger beroep van de vrouw richt zich tegen even genoemde beslissingen. Voorts heeft de vrouw bij wege van aanvullend verzoek gevraagd om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden ná inschrijving en toekenning aan haar van een bedrag van € 544,-- per maand over de periode vanaf 4 oktober 2005 tot aan de datum van inschrijving. Met betrekking tot het aanvullende verzoek van de vrouw betreffende het voortgezet gebruik van de echtelijke woning van partijen. 4.5. De vrouw heeft bij wege van aanvullend verzoek verzocht om alsnog aan haar het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de inboedel toe te kennen. 4.5.1. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet kan worden worden ontvangen in haar voormeld verzoek nu de vrouw voor het eerst in de onderhavige appèlprocedure zodanig verzoek heeft gedaan. Het hof zal de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De woonvergoeding 4.6. De man heeft verzocht – voor het geval aan de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de inboedel wordt toegekend - de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van een zogeheten woonvergoeding. 4.7. Nu zoals hiervoor is overwogen de vrouw niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek tot toekenning aan haar van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en inboedel, behoeft dit onderdeel van het verzoek van de man geen nadere bespreking. Met betrekking tot het aanvullende verzoek voor een bijdrage van € 544,-- per maand gedurende de periode van 4 oktober 2005 tot de datum van inschrijving. 4.8. De vrouw heeft aangevoerd, dat partijen in het kader van deze procedure de afspraak hebben gemaakt dat de man ad € 544,-- per maand aan de vrouw zou betalen voor de duur dat de echtscheiding van partijen nog niet een feit is. 4.8.1. Zodanig verzoek dient evenwel – ongeacht hetgeen partijen in onderling overleg al dan niet met elkaar in de echtscheidingsprocedure hebben afgesproken – in een andere procedure te worden verzocht en kan derhalve niet worden betrokken in de onderhavige tussen partijen gevoerde procedure. Het hof zal de vrouw derhalve in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Met betrekking tot de uitgesproken echtscheiding van partijen 4.9. In grief 8 heeft de vrouw gesteld dat de rechtbank ten onrechte de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken. 4.9.1. De vrouw heeft deze grief evenwel niet met concrete feiten en/of omstandigheden onderbouwd, zodat deze grief faalt en de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingestelde appèl. Verzoek van de man tot toekenning aan hem van schadevergoeding 4.10. De man heeft met betrekking tot grief 8 van de vrouw gesteld dat hij schade lijdt cq. zal lijden als gevolg van de processuele handelwijze van de vrouw, nu zij in het door haar ingestelde appèl de echtscheiding van partijen heeft betrokken, terwijl zijzelf in eerste aanleg het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank heeft ingediend. Naar de mening van de man levert de handelwijze van de vrouw misbruik van (proces)recht op. 4.11. Het hof is van oordeel, dat onvoldoende is gebleken dat de processuele handelwijze van de vrouw kan worden aangemerkt als misbruik van (proces)recht, nu zij een voldoende te rechtvaardigen belang heeft bij handhaving van de band tussen, en de gelijktijdige beslissing over het verzoek tot echtscheiding en de door haar verzochte neven- althans aanvullende verzoeken. Behoefte van de vrouw 4.12. De tweede grief van de vrouw richt zich – kort gezegd - tegen de vaststelling door de rechtbank van haar huwelijks gerelateerde behoefte. In de visie van de vrouw heeft de rechtbank daarbij ten onrechte rekening gehouden met een bedrag van € 650,-- per maand wegens aandeel kosten van de kinderen. Immers, de drie kinderen van partijen zijn inmiddels meerderjarig en wonen al geruime tijd niet meer in huis, zodat zij bij de bepaling van haar aanvullende behoefte buiten beschouwing dienen te worden gelaten. 4.13. Ter zitting van het hof is gebleken, dat partijen circa 2,5 jaar geleden hun samenwoning hebben beëindigd, waarna door de vrouw het inleidende verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ter griffie van de rechtbank is ingediend op 18 november 2004. 4.14. De man heeft onbetwist gesteld, dat de kinderen van partijen altijd tot het gezin van partijen hebben behoord, dat de kinderen ook tijdens de laatste jaren van de samenwoning van partijen in de echtelijke woning hebben gewoond en dat de kinderen pas enige tijd nadat partijen hun samenwoning hebben verbroken op zichzelf zijn gaan wonen. 4.14.1. Het vorenstaande betekent, dat de rechtbank bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op juiste wijze rekening heeft gehouden met het aandeel kosten van kinderen, nu die kinderen in ieder geval tot het moment dat partijen hun samenwoning hebben verbroken tot het gezin van partijen hebben behoord. De rechtbank heeft bedoeld aandeel kosten van kinderen ten tijde van de verbreking van de samenwoning van partijen verder becijferd op € 650,-- per maand, welk bedrag het hof, gelet op de leeftijden van de kinderen en het gezinsinkomen, redelijk voorkomt, zodat het hof met dat bedrag ook rekening zal houden. Grief 2 faalt dus. 4.15. In haar eerste grief heeft de vrouw zich er over beklaagd dat de rechtbank bij de bepaling van het gemiddeld netto inkomen van de man ad € 1.857,-- per maand geen rekening heeft gehouden met incidentele vergoedingen en/of het spaarloon van de man. 4.15.1. Op zich genomen slaagt deze grief nu gebleken is dat de rechtbank bij de bepaling van het gemiddelde netto salaris van de man is uitgegaan van de netto betalingen volgens de overgelegde salarisspecificaties over respectievelijk de maanden augustus, september en november 2004, welke betalingen destijds werden beïnvloed door de inhouding spaarloonregeling ad € 51,08 per maand, waarmee de rechtbank kennelijk geen rekening heeft gehouden. 4.16. Uit de als productie 19 overgelegde bescheiden kan voorts worden opgemaakt, dat de man in 2004 de volgende (fiscale) inkomscomponenten heeft genoten: - € 34.562,-- bij stichting openbaar onderwijs (jaaropgaaf 2004); - € 4.801,-- bij de gemeente [gemeentenaam] (jaaropgaaf 2004); - € 613,-- aan spaarloonregeling; - € 1.551,40 aan fiscaal loon betreffende de uitkering 13e maand. Voldoende is gebleken dat bij de bepaling van het door de rechtbank becijferde gemiddeld netto inkomen van de man evenmin rekening is gehouden met de periodiek aan de man uitgekeerde werkgevers bijdrage ziektekosten, welke bijdrage overigens wel is begrepen in voormeld jaarloon 2004 bij stichting openbaar onderwijs. 4.17. Voor zover grief 1 betrekking heeft op door de man genoten incidentele vergoedingen (gemeente [gemeentenaam]), heeft de man onvoldoende weersproken gesteld dat inkomsten incidenteel van aard zijn geweest en uitsluitend betrekking hebben gehad op een deel van 2004. De man heeft zijn stelling onderbouwd door overlegging van de desbetreffende jaaropgaaf 2004 van de gemeente [gemeentenaam], welke jaaropgaaf ziet op de periode 1 mei 2004 tot 1 januari 2005, welke inkomsten dus werden genoten in een periode ná verbreking van de samenwoning van partijen, zodat die inkomsten niet bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw behoefden te worden betrokken. In zoverre treft de eerste grief geen doel. 4.18. Voor de bepaling van het tijdens de laatste periode van de samenwoning genoten netto maandinkomen van de man gaat het hof dus uit van voormelde (fiscale) inkomenscomponenten, met uitzondering van het loon bij de gemeente [gemeentenaam], neerkomende op (afgerond) bruto € 36.175,-- over 2004. Rekening houdende met de voor de man geldende gebruikelijke fiscale kortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) becijfert het hof in netto besteedbaar loon van de man in dat jaar op ongeveer € 2.133,-- per maand. 4.18.1. Inclusief het onbetwist gebleven gemiddelde netto maandinkomen van de vrouw ad € 817,-- wordt een netto gezinsinkomen becijferd van € 2.950,--, dat verminderd met € 650,-- per maand aan kosten kinderen neerkomt op € 2.300,-- per maand voor de echtgenoten gezamenlijk. Voor de vrouw komt dit – volgens de onbetwist gebleven becijferingsmethode (60%) van de rechtbank – neer op een huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.380,-- per maand netto. Geïndexeerd naar 2006 komt die behoefte uit op € 1.407,74 per maand netto. 4.19. Aldus heeft het hof – indien rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting en arbeidskorting - de aanvullende behoefte van de vrouw, die over een onbetwist eigen inkomen beschikt van circa € 858,-- per maand netto, becijferd op een bedrag van rond de € 550,-- per maand netto, hetgeen gebruteerd zou neerkomen op ruim € 700,-- per maand aan partneralimentatie. Ingangsdatum van de partneralimentatieverplichting 4.20. De partneralimentatieverplichting van de man jegens de vrouw vangt aan op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, welke inschrijving evenwel ten tijde van de zitting nog niet had plaatsgevonden. Draagkracht 4.21. De vrouw heeft gesteld dat de draagkracht van de man toereikend is om een hogere dan de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie van € 133,-- per maand te betalen. Naast een hoger inkomen van de man, geeft de vrouw aan dat een aantal lasten van de man lager zijn dan waarmede de rechtbank rekening heeft gehouden, dan wel dat ten onrechte met een aantal lasten rekening is gehouden. De vrouw heeft daartoe onder meer volgende lasten ter discussie gesteld: - de studiekosten van de kinderen ad € 369,-- per maand; - bovenmatige woonlasten aan de kant van de man; - de premie levensverzekering ad € 350,- per maand; - de totale door de man opgevoerde ziektekosten, inclusief het eigen risico; - premie begrafenisverzekering. 4.22. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de navolgende (deels afgeronde) gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel. A. Inkomen van de man - € 39.783,-- aan totaal in aanmerking te nemen fiscaal jaarloon 2006, bestaande uit: - € 34.436,-- regulier fiscaal loon, zijnde 12 keer het fiscale maandloon januari respectievelijk 2006 ad € 2.869,66, vermeerderd met - € 2.992,-- aan fiscaal loon terzake van vakantiegeld. Dit wordt verkregen door het verschil in de opgebouwde aanspraken vakantieuitkering over de periode tot en met februari 2006 en de periode tot en met januari 2006 (neerkomende op € 249,33) te vermenigvuldigen met 12. Die opgebouwde aanspraken staan vermeld in de cumulatieven van de overgelegde loonspecificaties januari 2006 respectievelijk februari 2006, vermeerderd met - € 613,-- aan spaarloonregeling, alsmede vermeerderd met - € 1.435,-- aan structurele (fiscale) eindejaarsuitkering (EJU). Deze fiscale uitkering kan worden afgeleid uit de bij brief van de procureur van de man d.d. 27 maart 2006 overgelegde loonspecificatie over december 2005 juncto de verklaring van 16 mei 2006 van de directeur van de basisschool waar de man werkzaam is; - € 306,75 aan bindingstoelage op jaarbasis. Ook deze toelage is vermeld in evengenoemde brief van de directeur van 16 mei 2006. B. Lasten van de man 1. Wwb-normbedrag voor een zelfstandig-wonende alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud; 2. woonlasten bestaande uit: a. € 388,-- per maand aan hypotheekrente; b. € 350,-- per maand aan verzekeringspremie hypotheek; c. € 95,-- per maand aan overige eigenaarslasten. d. Rekening wordt gehouden met een eigenwoningforfait van € 864,-- op jaarbasis. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de totale woonlasten van de man, mede rekening houdende met de fiscale aspecten daarvan, in relatie tot zijn inkomen niet onredelijk hoog zijn. De door de man aangegane hypotheek bedraagt € 85.000,-- en dit hypotheekbedrag kan naar het oordeel van het hof in de gegeven situatie niet als buitensporig hoog worden aangemerkt. De man heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de door hem te betalen verzekeringspremie ad € 350,-- per maand leeftijdsafhankelijk is (de man is thans circa 53 jaar) en dat hij met zijn leeftijd geen hypothecaire lening meer kan krijgen met een looptijd van 30 jaar. Dat wil zeggen dat de hypotheek een verplicht kortere looptijd kent en dat daarmede dus een hogere leeftijdsafhankelijke premie wordt bewerkstelligd. Voorts heeft de man genoegzaam aannemelijk gemaakt dat hij op korte termijn niet voor een goedkope huurwoning in aanmerking zou komen. Een korting wegens onredelijke woonlast – als door de vrouw gesteld – acht het hof onder de gegeven omstandigheden niet redelijk en zal derhalve door het hof niet worden toegepast. De grieven 4 en 5 van de vrouw treffen dus geen doel. 3. premie ziektekosten bestaande uit: € 415,-- per maand bedraagt de premie die de man voor zich en de drie meerderjarige studerende kinderen van partijen vanaf 1 januari 2006 betaalt; dit blijkt uit de overgelegde polis VGZ van 2 februari 2006, als bijlage gevoegd bij brief van de procureur van de man van 27 maart 2006. Uit gemelde polis blijkt voorts, dat de in 2006 aangegane ziektekostenverzekering het eigen risico “nihil” kent, zodat te dier zake – in tegenstelling tot de bestreden beschikking - geen bijtelling behoeft plaats te vinden wegens eigen risico. Nu voorts onbetwist gebleken is de man de desbetreffende premies voor de kinderen heeft betaald en ook thans nog betaalt, ziet het hof geen redenen waarom thans daarmede geen rekening behoort te worden gehouden. Echter, het nieuwe zorgstelsel kent het systeem dat meerderjarigen die een inkomen hebben onder de daarvoor geldende loongrens zitten, en dat geldt voor alle drie de jongmeerderjarigen, in aanmerking komen voor een zorgtoeslag van – bij gebreke van nadere informatie - circa € 30,-- per maand per jongmeerderjarige. Die toeslag, die in casu neerkomt op in totaal circa € 90,-- per maand zal het hof derhalve in mindering brengen op de totale door de man te betalen premie, nu niet valt in te zien waarom die toeslag, die elke jongmeerderjarige kind van partijen individueel ontvangt niet door ieder van hen naar hun vader kan worden doorgesluisd ter vermindering van de ziektekosten. Vanaf 1 januari 2006 wordt – anders dan de rechtbank – volgens de werkgroep Alimentatienormen geen rekening meer gehouden met inhouding wegens in voormeld normbedrag begrepen nominale premie. Aldus komen de ten deze in aanmerking te nemen kosten daarmede neer op € 325,-- per maand tot 1 augustus 2006. Omdat zoals hierna wordt overwogen er van wordt uitgegaan dat dochter [A.] met ingang van 1 augustus 2006 afgestudeerd zal zijn, betekent dit dat ook met ingang van die datum de door de man voor [A.] betaalde VGZ-premie ad € 102,-- per maand komt te vervallen, zodat vanaf die datum rekening wordt gehouden met een totaal verschuldigde premie van € 313,-- per maand, te verminderen met voormelde zorgtoeslag voor twee kinderen ad € 60,--. Derhalve zal vanaf 1 augustus 2006 rekening worden gehouden met € 253,-- per maand. Het hof houdt voorshands géén rekening met de door de vrouw gestelde no-claim teruggave, omdat thans nog niet valt te overzien, wie van de op voormelde polis genoemde verzekerden aan het einde van het verzekeringsjaar 2006 voor zodanige teruggaaf in aanmerking komt en welk bedrag ieder van hen alsdan zal terugkrijgen. Grief 6 slaagt dus ten dele. 4. studiekosten van de kinderen. Ter zitting is genoegzaam komen vast te staan dat de man tot op heden een bijdrage heeft geleverd in de studiekosten van de drie studerende jongmeerderjarige kinderen van partijen met een bedrag van circa € 369,-- per maand. De vrouw heeft gesteld, dat met deze bijdrage geen rekening dient te worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man, mede omdat die bijdrage niet dient te prevaleren boven haar behoefte aan partneralimentatie. Het hof is van oordeel, dat in casu de bijdrage die de man tot op heden heeft geleverd voor de studerende kinderen dient te worden aangemerkt als een bijzonder in aanmerking te nemen last waarmede rekening dient te worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man. Immers, de bijdrage die door de man al gedurende een aantal jaren voor de studerende kinderen wordt geleverd kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als het verlengde van de taak en/of verantwoordelijkheid van een ouder in het kader van de verzorging en opvoeding van kinderen danwel een vorm van begeleiding door de ouders van de kinderen naar volwassenheid teneinde te gelegenertijd zelfstandig te kunnen functioneren. Het laten volgen door de kinderen van een studie en/of een beroepsopleiding en het leveren van een bijdrage daarin door de ouder(s) moet in dat licht derhalve gewicht worden toegekend en daarmede zal dus rekening gehouden dienen te worden. Voorts is niet gebleken of aannemelijk geworden dat de kinderen van partijen tegen de wil/wens van hun ouders of één van hen een studie zijn gaan volgen, waarvan de kosten noodzakelijkerwijs ten laste van hun ouder(s) zijn gebracht. Voorts is uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gebleken, dat dochter [A.] in ieder geval per omstreeks 1 augustus 2006 haar studie zal afronden, zodat voor haar vanaf die datum geen kosten meer behoeft te worden gemaakt. Indien en voor zover [A.] ná 1 augustus 2006 alsnog een aanvullende studie wenst te volgen, zal het hof met de daaraan verbonden kosten geen rekening houden, omdat die kosten alsdan voor rekening en risico van [A.] zelf dienen te komen nu ter zitting is gebleken dat de eventueel ná 1 augustus 2006 door [A.] te volgen aanvullende studie niet noodzakelijk is om – zoals hiervoor overwogen - zelfstandig te kunnen functioneren. Dat betekent dat vanaf 1 augustus 2006 uitsluitend rekening zal worden gehouden met een door de man te betalen studiebijdrage van in totaal € 246,-- per maand voor [B.] en [C.]. Hoewel op dit moment nog niet duidelijk is op welk tijdstip de twee zoons van partijen ([B.] en [C.]) hun studie zullen afronden, is het hof van oordeel dat voorshands kan worden aangenomen, dat die zoons omstreeks 1 augustus 2009 de door ieder van hen thans gevolge studie kan hebben afgerond, zodat vanaf die datum voornoemde studiekosten en ziektekosten volledig kunnen worden betrokken bij de draagkracht van de man tot het betalen van partneralimentatie. Het hof gaat ervan uit dat partijen – voor zoveel zulks nodig mocht zijn - de gevolgen daarvan in onderling overleg, met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen, zullen weten te regelen, nu de effecten van die gevolgen thans nog niet kunnen worden becijferd voor de toekomst. De vrouw heeft verder gesteld dat de man de studiekosten van de kinderen uit eigen vermogen/spaargeld zou betalen, doch de man heeft daarentegen – door de vrouw onvoldoende betwist – gesteld, dat hij de studiekosten tot op heden uit zijn reguliere inkomen heeft betaald en dat daarvoor ook werden aangesproken de gelden (waaronder vakantiegelduitkeringen, fiscale restituties en andere periodieke uitbetalingen), die hij tijdelijk op zijn spaarrekening heeft kunnen plaatsen. Voorts is ter zitting onvoldoende aannemelijk geworden aakt dat de drie kinderen van partijen substantiële ([B.] en [C.]) inkomsten genieten uit een bijbaantje, danwel een zodanig laag ([A.]) inkomen uit een bijbaantje genereren, dat dit inkomen niet opweegt tegen de door [A.] te maken reiskosten, nu zij niet in het bezit is van een OV-jaarkaart. De derde grief van de vrouw behoeft hiermede dus geen verdere bespreking meer. C. Het hof houdt geen rekening met de begrafenisverzekering. Ter zitting is komen vast te staan dat hiervoor geen betalingen meer behoeven te worden verricht. Grief 7 slaagt dus. Vaststelling van de alimentatie 4.23. Op basis van voormelde financiële omstandigheden van de man is het hof van oordeel, dat de man – de fiscale aspecten mede in aanmerking nemende – in staat moet worden geacht de volgende onderhoudsbijdragen voor de vrouw te betalen: - vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 285,-- bruto per maand tot 1 augustus 2006: - € 485,-- bruto per maand met ingang van 1 augustus 2006. 4.23.1. Op het hoger beroep van de vrouw zal het hof beslissen op de hierna aangegeven wijze. Proceskosten. 4.24. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn. Het hof acht geen termen aanwezig om de vrouw – zoals door de man verzocht – te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, nu de vrouw ten dele in het gelijk wordt gesteld. 5. De beslissing Het hof: In het principaal appèl en in het incidenteel appèl: verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het voortgezet gebruik van de (voormalige) echtelijke woning aan de [adres] te [gemeentenaam] en de daartoe behorende inboedel en verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar aanvullende verzoek om toekenning aan haar van een bijdrage van € 544,-- per maand ten laste van de man betreffende de periode van 4 oktober 2005 tot aan de datum van even genoemde inschrijving; verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar appèl voor zover zij daarin de tussen partijen uitgesproken echtscheiding heeft betrokken; vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2005, doch uitsluitend voor wat betreft de aan de man opgelegde partneralimentatie; en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat de man de volgende bedragen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal hebben te voldoen: A. met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand € 285,-- bruto per maand tot 1 augustus 2006 en B. € 485,-- per maand met ingang van 1 augustus 2006; bepaalt dat even genoemde bedragen dienen te worden voldaan bij vooruitbetaling voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen; wijst af hetgeen meer of anders door partijen is verzocht; compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. Draijer-Udo, Philips en Van der Velden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.